Maandag 4 augustus 2014: Padrud
We pikken onze gastheer op bij de bazaar in Pangekent. Hij weet de weg naar de oude stad. In ons boekje staat dat er weinig te zien is maar dat willen we graag zelf bepalen. Iedere archeoloog heeft namelijk wèl gehoord over het oude Pangekent lezen we. Na behoorlijk wat achterafwegen die naar de top van een heuvel boven de stad leiden komen we aan bij een enorm gebied met oude ruïnes. Overblijfselen van een stad die in de 5e eeuw een druk handelspunt was. Er is wel degelijk veel te zien. Er zijn archeologen bezig met opgravingen en de gastheer vertelt dat de stad over een paar jaar beperkt open zal zijn voor publiek om de overblijfselen te behouden. Nu ligt er zwerfvuil in de stad, graast er vee en rennen er kinderen rond. Het museum met kopieën van de fresco's en echte overblijfselen uit die tijd wordt speciaal voor ons geopend. De originele fresco's zijn door de Russen gestolen en hangen nu ergens in de hermitage en een museum in Tashkent. Cultuurdiefstal. Het museum is ondanks dat, echt de moeite waard.
De weg naar Padrud is 60 kilometer lang vanaf Pangekent. Je rijdt er in ongeveer tweeëneenhalf uur naar toe. Jan en ik zeiden in de auto tegen elkaar dat we nog nooit zoiets moois gezien hebben. De weg lijkt op een karrenpad en laat op bepaalde punten geen tegenliggers toe. Slingert omhoog langs de rivier Shing. Het ene adembenemende uitzicht na het andere. Aan het begin is de rivier nog erg breed, zoals we dat van het Chinese deel op de Karakoram Highway zagen. Er zijn meer dorpen in het begin. De gastheer vertelt dat er ongeveer 2000 mensen wonen tussen het eerste en het vierde meer. We komen langs een Chinese handen zijnde goudmijn. De Chinezen kregen die in ruil voor het bouwen van de weg. De oevers zijn groen door het vele water en het is kristalhelder. Onderweg overal zwaaiende mensen en vooral die spectaculair razende rivier. We passeren vier meren. Padrud ligt tussen het vierde en het vijfde meer. Het vierde meer is erg lang en azuurblauw. We bereiken een dorpje. Onze gastheer wijst op een wit huis aan de oever van de rivier. Dat is mijn huis, zegt hij. Het huis ligt op een steenworp afstand van de kolkende rivier. Er staan drie zit/ligbedden boven het water. Uitnodigende schotels met thee en vers fruit. Vers kersensap uit eigen tuin, geschilde komkommers en grote rozijnen. We drinken en eten. De gastheer sleept schotels met een stoofschotel met ui, wortel en kip aan. We eten de aardappel. Onze kamer is erg basic. Alleen twee bedden en een kapstok in een erg kleine ruimte. Betonnen muren zonder decoraties aan de wand. Het toilet bestaat uit het gevreesde gat in de grond en er is een "douche". Dat voldoet wel aan onze verwachtingen. Ik neem straks gewoon nog een imodiumtablet. Of vier.
Ons dagboek bijwerken is een dagelijks ritueel, maar soms is er zoveel te schrijven dat het wat lastig bij te houden is. Daarnaast probeer ik ook zoveel mogelijk op mijn telefoon in te typen om ons blog te vullen voor de thuisblijvers. Dat is een beetje gepriegel op het kleine toetsenbordje op mijn telefoon. In ons homestay logeert ook een Duits/Estlands expatstel dat in Dushanbe woont. Ze hebben twee kleine kinderen bij zich van 3 en net 1 jaar. De man vertelt dat hij de bovenste route naar het zesde meer is gelopen. Dat lijkt ons ook wel wat. Het is jammer dat we hier maar een dag zijn, maar er is altijd tijd tekort in zo'n reis. Passen en meten. Zoveel te zien in zo'n beperkte tijd. De gastheer en gastvrouw slepen steeds af en aan met versnaperingen. Het ligbedden boven de rivier biedt heerlijke verkoeling in dit warme weer. Er lopen een stuk of vier, vijf kinderen rond. Er blijkt een foto van de oudste twee te staan in de Duitse reisgids die wij bij ons hebben. Toen waren ze nog wat kleiner. Daarna heeft het stel nog een nakomertje gekregen. Het meisje heet Aïsha, dat hier Engel betekent. De kinderen helpen flink mee in de bediening. Jan gaat wandelen terwijl ik het dagboek bij werk. Hij komt mannen tegen die hem graag de hand willen schudden en kinderen die op de foto willen en hem daarvoor bedanken. Het levert mooie statieportretten op. De vrouwen willen minder graag op de foto. Ze duiken weg of schermen hun gezicht af. Altijd voorzichtig en eerst vragen dus. Voor het dorp staat een bord langs de weg. Er is op te lezen dat de EU hier voedselhulp heeft georganiseerd. Mede daardoor voel ik me regelmatig bezwaard als ik eten laat staan. Ik meld vooraf dat ik kleine porties wil en biz myasa (zonder vlees) alstublieft. Toch worden er telkens enorme hoeveelheden eten aangeboden. De mensen hebben hier zo weinig en zijn zo gul en gastvrij. Als de avond valt en het te koud wordt op onze stek bij de rivier, trekken we ons enige warme kledingstuk aan en verhuizen we naar de kamer bovenop de gastenkamer. De tafel is al gedekt. De pot schaft plov, een schaal met noten en zoetigheden en salade. Thee is standaard hier. Het expatstel is er ook weer. De man vertelt dat het verhaal over de Chinezen klopt, met uitzondering van de ingenieurs en het management. Zo worden projecten heel voordelig aanbesteed. Arbeidskosten zijn nagenoeg nihil. Na het eten bezoeken we met frisse tegenzin het toilet. Het is een prachtige plek maar beter sanitair zou fijn zijn. Onze darmen zijn flink van streek. Toch slapen we redelijk goed. De feestverlichting knippert vrolijk op het terrein. Trusten!

0 Comments:
Een reactie posten
<< Home